Bijlage 1 - Werkwijze voor de Zoetwaterprogrammering

A. Begrippenkader

Amendement
Verzoek tot aanpassing van het budget van een van de onderdelen (project, programma, onderzoek, pilot) in de programmering van het Deltaprogramma Zoetwater door een van de initiatiefnemers.

Deltaplan Zoetwater
Uitvoeringsprogramma van het Deltaprogramma Zoetwater beschrijft de manier waarop de deltabeslissing Zoetwater wordt gerealiseerd. Het omvat een gezamenlijk investeringsprogramma van Rijk, zoetwaterregio’s en een aantal sectoren/gebruiksfuncties voor de periode 2015-2021), een onderzoeksprogramma en een agenda met kansrijke maatregelen voor de middellange en lange termijn.

ECK-B
Expertisecentrum Kosten en Baten: geeft in opdracht van het Programmabureau Zoetwater een advies (second opinion) van de onderbouwingen van de kosten en de risicoanalyse voor de verschillende onderdelen met een rijksbijdrage in de programmering van het Deltaprogramma Zoetwater.

Hardheidsclausule
Onderdeel van de werkwijze programmering Deltaprogramma Zoetwater dat beschrijft hoe te handelen bij onvoorziene omstandigheden die niet zijn voorzien in de risicoanalyse en die leiden tot een kostenverhoging die redelijkerwijs niet alleen door de initiatiefnemers kan worden gedragen.

MIRT
Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport: investeringsprogramma van het Rijk voor ruimtelijke en infrastructurele programma’s en projecten. Programma’s en projecten doorlopen in samenwerking tussen het Rijk en decentrale overheden drie of vier fasen: onderzoek, verkenning, planuitwerking en realisatie. 

Programmabureau Zoetwater
Werkorganisatie ter ondersteuning van de taken van het Bestuurlijk Platform Zoetwater met vertegenwoordigers van enkele zoetwaterregio’s, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW), Rijkswaterstaat en het Directoraat-Generaal Ruimte en Water (DGRW), dat de landelijke coördinatie van de uitvoering van het Deltaplan Zoetwater, de uitwerking van het voorzieningenniveau en de verdere ontwikkeling van de voorkeurstrategie verzorgt met inbreng van zoetwaterregio’s, Rijkswaterstaat, koepels, rijk en gebruikers via maandelijkse werksessies.

Regiovertegenwoordiger
Ambtelijk vertegenwoordiger van de zoetwaterregio.

Samenwerkingsovereenkomst
Nadere uitwerking van (een onderdeel van) de regionale bestuursovereenkomst Zoetwater waarin partijen nadere afspraken maken over de realisatie van (onderdelen van) de programmering Zoetwater. 

SSK-methode
Standaard Systematiek voor Kostenramingen: systematiek voor het maken van eenduidige kostenramingen in de (water)bouwsector.

B. Doel, afbakening en status:

Doel
Het vastleggen van de werkwijze en planning van de programmering is bedoeld om de maatregelen binnen tijd, scope en budget te realiseren.

Afbakening
De beschrijving van de werkwijze heeft betrekking op de programmering en de financiering van de zoetwatermaatregelen die opgenomen zijn in het Deltaplan Zoetwater en die bekostigd worden of waaraan wordt bijgedragen vanuit het Deltafonds. Deze maatregelen staan genoemd in tabel 13 van Deltaprogramma 2015.

Status
De beschreven werkwijze betreft een aantal bestuurlijke afspraken ten behoeve van de programmering van zoetwatermaatregelen en is niet in rechte afdwingbaar.

C. Werkwijze voor de programmering:

1. Beschikbaar budget vanuit het Deltafonds
Voor het programma is € 150 miljoen investeringsruimte vanuit het Deltafonds voor de periode 2015-2021 beschikbaar. Als door tegenvallers in de geprogrammeerde projecten dit bedrag dreigt te worden overschreden, zal het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ) bespreken hoe door fasering en/of prioritering de programmering weer binnen de grens van de programmaruimte wordt gebracht.

2. Kostenverdeling rijk-regio
De kostenverdeling is per maatregel beschreven in het Deltaplan Zoetwater en wordt nader uitgewerkt in de regionale bestuursovereenkomsten.

3. Typen maatregelen
Het Deltaplan Zoetwater is opgebouwd uit vier typen maatregelen. Het betreft:

  • Projecten met fysieke ingreep: de specificaties liggen vast en kunnen in de verdere uitwerking niet (of nauwelijks) worden aangepast.
  • Programma’s: waar resultaatafspraken in een gebied zijn gemaakt, die nog verder moeten worden uitgewerkt in concrete projecten. De specificaties van de maatregelen moeten nog verder worden uitgewerkt en de locatie moet nog worden bepaald. Aanpassingen in dimensionering of aantal maatregelen is nog mogelijk.
  • Onderzoek (o.a. voorzieningenniveau en slim watermanagement): het eindproduct is nog niet exact gespecificeerd. Op basis van vast budget kan hoeveelheid en kwaliteit worden geoptimaliseerd.
  • Pilots: een combinatie van innovatieve fysieke maatregelen en onderzoek. Gegeven de hoeveelheid middelen kan de omvang en diepgang worden aangepast.

4. Fasering
Voor de programmering van de zoetwatermaatregelen type a en b wordt gebruik gemaakt van de MIRT-systematiek. Er worden drie of vier fasen onderscheiden: (onderzoek), verkenning, planuitwerking en realisatie. Er wordt een besluit genomen per fase via het onder punt 5 beschreven proces.

5. Planning jaarlijkse programmering
Jaarlijks wordt een nieuwe programmering opgesteld door het Programmabureau. Deze is afgestemd op de planningscyclus van de rijksbegroting: een conceptprogrammering wordt jaarlijks op 1 november ingediend bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Een definitieve programmering wordt uiterlijk 1 februari ingediend.

Het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ) wordt vooraf om instemming gevraagd met de programmering, de fasering, het omgaan met mee- en tegenvallers en eventuele amendementen. Het BPZ-besluit vormt een advies voor de deltacommissaris en voor de reservering van budgetten in het Deltafonds en op begrotingen van andere deelnemende partijen.

De initiatiefnemers dienen via een door het Programmabureau opgesteld format tweemaal per jaar geactualiseerde informatie in: voor 1 maart ten behoeve van de voortgangsrapportage en voor 15 september ten behoeve van de jaarlijkse programmering. De jaarlijkse programmering wordt uitgewerkt in een planningstabel en financieringstabel met jaarreeksen.

6. Financieringsgrondslag
Voor de financiering vanuit de rijksbegroting (Deltafonds) zijn er drie mogelijke grondslagen: opdrachtverlening, subsidiebeschikking en decentrale uitkering. In overleg met de regio kiest het ministerie van Infrastructuur en Milieu een financieringsgrondslag per regio of maatregel op basis van rechtmatigheid en minimale procedurele lasten. De rijksbijdrage voor waterschappen zal zo veel mogelijk via incidentele subsidies ter beschikking worden gesteld. Als grondslag van deze (incidentele) subsidies zal de rijksbegroting worden gebruikt. Rijksbijdragen aan provincies zullen zo veel mogelijk via decentralisatie-uitkeringen worden verstrekt. Daar waar incidentele subsidie of decentrale uitkering niet mogelijk is, wordt gekozen voor gedeeld opdrachtgeverschap. 

De grondslag wordt in een bestuursovereenkomst per regio voor de maatregelen van de betreffende regio vastgelegd. De nadere uitwerking gebeurt waar nodig in samenwerkingsovereenkomsten per programma of project. Met het ondertekenen van de overeenkomsten wordt de bijdrage per deelnemer geborgd.

7. Beschikbaar komen rijksbudgetten
Voor maatregelen die in 2015 een rijksbijdrage ontvangen, komen de rijksbudgetten beschikbaar nadat de wijziging van de Deltafondsbegroting 2015 bij Voorjaarsnota openbaar is gemaakt (begin juni), tenzij het een project betreft waarover politiek nog geen overeenstemming is. Dan komt het budget beschikbaar nadat de Kamer de begroting heeft goedgekeurd.

Overige rijksbudgetten zijn per 1 januari 2016 gereserveerd in de rijksbegroting. De toekenning geschiedt per fase, waarbij per fase een aanvraag wordt ingediend. In een bestuurs- en/of samenwerkingsovereenkomst worden hierover specifieke afspraken gemaakt. Als er geen specifieke afspraken zijn gemaakt, wordt jaarlijks overgemaakt.

8. Personeelskosten
Personeelskosten van overheden voor de uitwerking en uitvoering van de projecten worden niet bekostigd uit het investeringsbudget (Deltafonds), tenzij anders wordt afgesproken.

9. Onderbouwing kostenberekening
De kostenberekening is gebaseerd op:

  • een erkende methodiek, zoals de Standaard Systematiek Kostenramingen (SSK-methode);
  • ECK-B-factsheets van kostenramingen voor zoetwatermaatregelen. Deze zijn bij het Programmabureau opvraagbaar.

Als er geen factsheet of SSK is gebruikt voor de kostenraming, geeft de initiatiefnemer aan op basis van welke eenheidsprijzen de raming is gebaseerd, inclusief verwijzing. Als de kostenraming van de initiatiefnemer afwijkt van de factsheet/referentie is een onderbouwing nodig. De kostenonderbouwing bevat ten minste de investering, het beheer en onderhoud en btw.

10. Risicoverdeling (mee- en tegenvallers)
Algemeen uitgangspunt bij risicoverdeling is dat de partij die het risico kan beheersen het risico in beginsel ook draagt. De initiatiefnemer benoemt, kwantificeert en onderbouwt de voorziene/bekende risico’s middels een risicoanalyse en neemt deze op in de raming (voorzien onvoorzien). Tevens neemt de initiatiefnemer een reservering op voor onvoorziene risico’s (onvoorzien onvoorzien). Er kunnen specifieke afspraken over de risicoverdeling worden gemaakt en vastgelegd in een bestuurs- of samenwerkingsovereenkomst. 

Specifiek voor type a-maatregelen:
Basis voor de risicoanalyse is de SSK-methodiek, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van het project en de complexiteit. Aanbestedingsrisico’s worden meegenomen in de risicoanalyse. Onvoorzien kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarbij de werkelijke kosten sterk afwijken van de geraamde kosten (onvoorzien onvoorzien). Een voorbeeld hiervan is een geval waarin tijdens de uitvoering van een project onverwacht een grote archeologische vindplaats wordt aangetroffen. Met het oog op dergelijke gevallen kan worden afgeweken van de kostenraming. Er kan dan een beroep worden gedaan op de Hardheidsclausule. Na afronding van de maatregel wordt een eindrapport opgesteld met verantwoording over de uitvoering van het project inclusief de financiering.

Voor de overige typen maatregelen worden de risico’s (mee- en tegenvallers) binnen het project/programma opgevangen. Ook voor deze projecten/programma’s geldt dat een beroep kan worden gedaan op de zogenoemde Hardheidsclausule en dat na afronding een eindrapport wordt opgesteld met verantwoording over de uitvoering van het project inclusief de financiering.

Het is niet de bedoeling dat ‘Risico bij diegene die risico kan beheersen’ leidt tot conservatieve aanpak en het vermijden van (meer risicovolle) innovatieve oplossingen of meekoppelkansen. De initiatiefnemer kan als dit speelt via een amendement aanpassing van de programmering vragen. Deze werkwijze kan worden opgenomen in het projectplan of in de bestuursovereenkomst.

11. De Hardheidsclausule
Een initiatiefnemer die een beroep wenst te doen op de Hardheidsclausule dient hiertoe een onderbouwd verzoek in bij de voorzitter van het BPZ/Programmabureau. Het BPZ stelt een advies op over het verzoek, waarbij alle partijen zich inspannen voor het vinden van een oplossing. De status van het advies van het BPZ staat beschreven onder punt 5. Criterium voor deze clausule is dat vasthouden aan de raming voor de initiatiefnemers zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

12. Second opinion kosten- en risico-onderbouwing
Het Expertisecentrum Kosten en Baten (ECK-B) geeft een oordeel over de kosten- en risico-onderbouwing en beoordeelt of de kostenraming conform de fasering is. Het ECK-B maakt bij de beoordeling onderscheid tussen de vier typen maatregelen. Er wordt door het ECK-B een protocol opgesteld met welke informatie wanneer nodig is voor de toetsing en hoe er wordt getoetst. Het ECK-B geeft een advies aan het Programmabureau over de kostenonderbouwing, de risicoanalyse en de fasering. Het Programmabureau geeft in het advies aan het BPZ over de programmering aan wat de uitkomst is van de second opinion van het ECK-B. 

13. Amendementen t.a.v. de programmering
Over amendementen dient beslist te worden voor 1 november in verband met het opstellen van de rijksbegroting. Amendementen dienen daarom voor 1 oktober aan het Programmabureau te worden gemeld. Het BPZ van oktober stelt vervolgens een advies op over de verzoeken tot aanpassing van de programmering ten behoeve van de besluitvorming over de rijksbegroting. In het aanvangsjaar 2015 is in het BPZ van april gesproken over amendementen die van belang zijn voor een betekenisvolle start.

14. Toetsen en advisering
De benodigde informatie wordt verzameld via projectenformats en een uitvraag van het Programmabureau over de voortgang. De planning staat beschreven onder punt 5. Actualiseren van de projectenformats is alleen nodig als er zaken zijn veranderd, bijvoorbeeld qua planning, financiering, scope. 

Het Programmabureau beoordeelt de ingevulde formats en de halfjaarlijkse actualisatie en formuleert zo nodig voorstellen voor aanpassing van de programmering, de fasering, het omgaan met mee- en tegenvallers en eventuele amendementen. Het Programmabureau stelt op basis van de jaarlijkse uitvraag een voortgangsrapportage op. Deze voortgangsrapportage vormt de verantwoording of de maatregel conform de afspraken is uitgevoerd. Specifieke eisen met betrekking tot de verantwoording kunnen worden gesteld via bestuurlijke en/of juridische overeenkomsten tussen betrokken partijen.

Het Programmabureau bereidt de besluitvorming in het BPZ over programmering en voortgang voor in overleg met regio’s en initiatiefnemers tijdens de gezamenlijke landelijke werksessies. Het BPZ-besluit vormt een advies voor de deltacommissaris en voor de reservering van budgetten in het Deltafonds en op begrotingen van andere deelnemende partijen.

Het Programmabureau toetst na een fase samen met de regiovertegenwoordigers of de activiteiten waarvoor een bijdrage is verleend hebben plaatsgevonden en of is voldaan aan de afspraken. De bevindingen uit deze toets resulteren in een advies aan het BPZ en jaarlijks aan de Minister van Infrastructuur en Milieu of een gemandateerde directeur.

15. Meekoppelen
De initiatiefnemer is verantwoordelijk om te zoeken naar mogelijkheden voor meekoppelen en ‘werk-met-werk’ maken.De initiatiefnemer laat zien hoe de verantwoordelijkheid is ingevuld door per project/maatregel aan te geven wat er is gedaan aan meekoppelenmet andere dossiers (waterkwaliteit, natuur, gebiedsontwikkeling, innovatie). De informatie hierover wordt jaarlijks op 1 maart als onderdeel van de voortgangsrapportage aangeleverd bij het Programmabureau. Het Programmabureau zorgt voor een overzicht en evaluatie en kan hiervoor specifieke deskundigheid inschakelen (bijvoorbeeld een reviewteam).

  1. Instructie gebruik Deltaprogramma 2016
  2. Deltaprogramma in kaart
  3. Inleidende samenvatting
    1. En nu begint het pas echt
  4. Uitwerking en implementatie deltabeslissingen en voorkeursstrategieën
    1. Verankering deltabeslissingen en voorkeursstrategieën
    2. Implementatie van de deltabeslissingen
      1. Deltabeslissing Waterveiligheid
      2. Deltabeslissing Zoetwater
      3. Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie
      4. Deltabeslissing IJsselmeergebied
      5. Deltabeslissing Rijn-Maasdelta
      6. Beslissing Zand
    3. Voorkeursstrategieën
      1. Voorkeursstrategie IJsselmeergebied
      2. Voorkeursstrategie Rivieren
      3. Voorkeursstrategie Rijnmond-Drechtsteden
      4. Voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta
      5. Voorkeursstrategie Kust
      6. Voorkeursstrategie Waddengebied
      7. Hoge Zandgronden
  5. Deltaplan Waterveiligheid
    1. Inleiding
    2. Voortgang onderzoeken Deltaprogramma 2015
    3. Hoogwaterbeschermingsprogramma
    4. Verkenningen
    5. Planuitwerkingen
    6. Realisatie
    7. Beheer, onderhoud en vervanging
  1. Deltaplan Zoetwater
    1. Programmering en voortgang onderzoeken en maatregelen (2016-2021)
    2. Vooruitblik op toekomstige programmering (>2021)
    3. Voortgang andere relevante lopende projecten
  2. Het Deltafonds: financieel fundament onder het Deltaprogramma
    1. Inleiding
    2. De stand van het Deltafonds
    3. Middelen van andere partners
    4. De financiële opgaven van het Deltaprogramma
  3. Organisatie en aanpak van het Deltaprogramma
    1. Werkwijze Deltaprogramma en vervolgorganisatie
    2. Kennis, markt en innovatie
    3. Internationale samenwerking
    4. De systematiek 'meten, weten, handelen'
  4. Bijlagen
    1. Bijlage 1 - Werkwijze voor de Zoetwaterprogrammering
    2. Bijlage 2 - Geactualiseerde kennis- en onderzoeksagenda Zoetwater
    3. Bijlage 3 - Voortgang afspraken vitale en kwetsbare functies
      1. Bijlage 3.1 - Aanpak nationale vitale en kwetsbare functies
      2. Bijlage 3.2 - Voortgang in het eerste verslagjaar - samenvatting
      3. Bijlage 3.3 - Voortgang per functie
    4. Achtergronddocumenten en downloads
    5. Colofon