Bijlage 3.3 - Voortgang per functie

Inleiding

Hoofdstuk 3 bevat de voortgang in het verslagjaar september 2014 tot september 2015 van elke nationale vitale en kwetsbare functie afzonderlijk. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is de aanpak per functie vastgelegd in een afspraak met het voor die functie verantwoordelijke ministerie. Deze afspraak vormt de basis voor de activiteiten die de ministeries ontwikkelen. De afspraak is ook benut voor de beschrijving van de voortgang die in het afgelopen jaar is geboekt.


de voortgang in het verslagjaar september 2014 tot september 2015

Aangezien de rapportage tijdens het verslagjaar is voorbereid, kan een deel van de voor september 2015 bereikte resultaten pas in het volgende voortgangsrapport worden opgenomen.

De voortgangsrapportage per functie is volgens een vast stramien opgebouwd. Ten eerste wordt de driedeling gebruikt uit het Deltaprogramma: ‘weten’ (inzicht in de risico’s), ‘willen’ (inzicht en keuzen van strategieën) en ‘werken’ (borging, implementatie en uitvoering). Voor elk van deze stappen is weer een driedeling gehanteerd. Voor zowel ‘weten’, ‘willen’ als ‘werken’ vormt het betreffende deel van de afspraak uit de deltabeslissing de vaste basis (‘wat is de afspraak’). De voortgangsrapportage voegt daar vervolgens aan toe ‘wat in de verslagperiode is gedaan’ en ‘welke plannen er zijn voor de komende periode’. Aangezien het traject zich tot 2050 uitstrekt, zijn vooral voor ‘willen’ en ‘werken’ voor veel functies in dit verslagjaar nog geen activiteiten aan de orde. Dat is dan kort vermeld.

1a Energie: Elektriciteit

Verantwoordelijk ministerie: Economische Zaken (EZ)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Voor 2015 bepaalt het ministerie van Economische Zaken (EZ) in overleg met de veiligheidsregio’s, de netbeheerders en de toezichthouder welke functies vitaal en kwetsbaar zijn. Hierbij worden afspraken gemaakt over de maat die (regiospecifiek) wordt gehanteerd voor aanvaardbare risico’s en de acceptabele hersteltijd.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Het belang van een ongestoorde elektriciteitsvoorziening is in de afgelopen periode (opnieuw) beoordeeld in het kader van het traject Herijking Vitaal, dat wordt gecoördineerd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).

De beheerders van het landelijk transportnet (Tennet) en de beheerders van de regionale transport- en distributienetten hebben, onder begeleiding van het ministerie van EZ en van de NCTV, bepaald of en in welke mate de elektriciteitsvoorziening als ‘vitaal’ moet worden beoordeeld. Vastgesteld is dat de productie van elektriciteit, gezien de diversiteit van aanbieders en de (ook internationale) verknoping, niet als ‘vitaal’ hoeft te worden gekenmerkt. Op basis van de gestelde criteria is besloten het landelijk transportnet in categorie A Vitaal te plaatsen en de regionale distributienetten in categorie B Vitaal. De rapportage over dit proces, met een motivatie voor de gedane uitspraak, is in maart 2015 aan de Kamer gezonden.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
In de loop van 2015 zal, op basis van deze vitaliteitsbeoordeling, verder worden gesproken met betrokkenen. Dat betreft in de eerste plaats de toezichthouder, de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Elektriciteitstransport en -distributie is een gereguleerde activiteit. De bescherming van de elektriciteitsnetten tegen mogelijke invloeden van buitenaf, met inbegrip van de weerbaarheid tegen overstromingsrisico’s, is een wettelijke taak van de netbeheerders (Elektriciteitswet artikel 16). Dit betekent dat extra (veiligheids-)voorzieningen uit de tarieven worden betaald. Het voorgenomen overleg met de ACM strekt ertoe hierover vooraf de nodige duidelijkheid te verschaffen.

Daarnaast zal worden gesproken met (vertegenwoordigers van) de veiligheidsregio’s over de vraag hoe regionale voorzieningen in geval van nood kunnen worden beschermd en hoe anderzijds, wanneer de elektriciteit uitvalt, moet worden opgetreden. In deze gesprekken zullen de aanvaardbaarheid van risico’s en de acceptabele hersteltijd in geval van calamiteiten aan de orde worden gesteld.

De behoefte is gesignaleerd aan een structureel overleg over mogelijke cascade-effecten.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat uiterlijk in 2050 de elektriciteitsvoorziening voldoende bedrijfszeker is om bij een overstroming vitale en kwetsbare functies overal in stand te houden en dat uitval buiten het overstroomde gebied vermeden wordt.

Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat een plan van aanpak met tijdpad wordt opgesteld (2016) en dat in 2020 eventueel noodzakelijk geacht beleid en toezicht tot stand zijn gekomen.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In de vitaliteitsbeoordeling in het kader van de ‘Herijking Vitaal’ is vastgesteld dat de netbeheerders (zowel landelijk als regionaal) een hoog risicobewustzijn hebben. De genoemde wettelijke verplichting ten aanzien van de bescherming van de netwerken is vertaald naar het kwaliteitsbeleid (NTA 8120, Nederlands Technische Afspraak). De bescherming tegen overstromingsrisico’s is integraal onderdeel van dit kwaliteitsbeleid. Het is aan de netbeheerders zelf om de afweging te maken tussen het risico van stroomonderbreking en de te treffen maatregelen. Over specifieke kwesties wordt regelmatig overleg gevoerd tussen het verantwoordelijke ministerie van EZ en de betreffende netbeheerders, bijvoorbeeld in de Contactgroep Veiligheid en Security van brancheorganisatie Netbeheer Nederland.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De plannen voor het komend jaar zijn in het vorige onderdeel vermeld.

Werken (borging, implementatie en uitvoering

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat eventueel noodzakelijk geacht beleid en toezicht tot stand zijn gekomen waardoor zodanige maatregelen tot stand komen dat uiterlijk in 2050 sprake is van een waterrobuuste inrichting van de als vitaal en kwetsbaar aangemerkte functies.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In de genoemde rapportage is vastgesteld dat de verantwoordelijkheidsverdeling (tussen het ministerie van EZ, netbeheerders en toezichthouder) duidelijk is en dat het juridische kader (vastlegging van de beschermingstaak in de Elektriciteitswet) op orde is. De bescherming van de vitale infrastructuur is bovendien nog een verplichting in het kader van de Europese richtlijn EPCIP (European Programma for Critical Infrastructure Protection) uit 2008, die in 2010 is geïmplementeerd.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De genoemde wettelijke beschermingstaak uit de Elektriciteitswet zal worden overgenomen in de nieuwe Energiewet (project-STROOM).

1b Energie: Aardgas

Verantwoordelijk ministerie: Economische Zaken (EZ)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Voor 2015 bepaalt het ministerie van Economische Zaken (EZ) in overleg met de veiligheidsregio’s welke functies vitaal zijn. Er is een tijdpad uitgezet met de sector; in 2020 zijn beleid en toezicht op deze doelstelling ingericht.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Het belang van een ongestoorde gasvoorziening is in de afgelopen periode (opnieuw) beoordeeld in het kader van het traject Herijking Vitaal, dat wordt gecoördineerd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). 

Vastgesteld is dat ook de winning en productie van aardgas onderdeel uitmaken van de functionele keten ‘gasvoorziening’. De beheerders van het landelijk transportnet (Gasunie Transport Services) en de beheerders van de regionale transport- en distributienetten hebben, onder begeleiding van het ministerie van EZ en van de NCTV, bepaald of en in welke mate de gasvoorziening als ‘vitaal’ moet worden beoordeeld. Apart is met vertegenwoordigers van de gasproductiesector gesproken.

Op basis van de gestelde criteria is besloten de landelijke voorziening (d.w.z. de landelijke gasproductie en het landelijke transportnet) in categorie A Vitaal te plaatsen en de regionale distributienetten in categorie B Vitaal. De indeling in de hoogste categorie is vooral het gevolg van de afhankelijkheid van het feit dat de Nederlandse elektriciteitsvoorziening, die als ‘vitaal categorie A’ is beoordeeld, in hoge mate afhankelijk is van een ongestoorde toevoer van aardgas. De rapportage over dit proces, met een motivatie voor de gedane uitspraak, is in maart 2015 aan de Kamer gezonden.

De rapportage stelt dat vooral het distributienetwerk en mogelijk ook de gasbronnen kwetsbaar zijn voor overstromingen. De gasrotonde is van zodanig belang gevonden dat de normen voor dijkring 6 en 7 zijn aangescherpt tot 1:10.000. Ondanks die aangescherpte norm blijft aandacht nodig voor waterrobuuste inrichting van de bronnen zelf, aangezien een overstroming niet uit te sluiten is én omdat de normering niet geldt voor regionale keringen. De bedrijfszekerheid van de gasvoorziening is daarom input voor nadere beschouwing in het kader van het Deltaprogramma (Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie).

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
In de loop van 2015 zal, op basis van deze vitaliteitsbeoordeling, verder worden gesproken met betrokkenen. Dat betreft in de eerste plaats de toezichthouder (ACM: Autoriteit Consument & Markt). Gastransport en -distributie is een gereguleerde activiteit. De bescherming van de gasnetten tegen mogelijke invloeden van buitenaf, met inbegrip van de weerbaarheid tegen overstromingsrisico’s, is een wettelijke taak van de netbeheerders (Gaswet artikel 10). Dit betekent dat extra (veiligheids-)voorzieningen uit de tarieven worden betaald. Het voorgenomen overleg met de ACM strekt ertoe hierover vooraf de nodige duidelijkheid te verschaffen.

Daarnaast zal worden gesproken met (vertegenwoordigers van) de veiligheidsregio’s over de vraag hoe regionale voorzieningen in geval van nood kunnen worden beschermd en hoe anderzijds, wanneer de gasvoorziening uitvalt, moet worden opgetreden. In deze gesprekken zullen de aanvaardbaarheid van risico’s en de acceptabele hersteltijd in geval van calamiteiten aan de orde worden gesteld.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat uiterlijk in 2050 de aardgasvoorziening voldoende bedrijfszeker is om bij een overstroming vitale functies in stand te houden.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In de vitaliteitsbeoordeling in het kader van de ‘Herijking Vitaal’ is vastgesteld dat de netbeheerders (zowel landelijk als regionaal) een hoog risicobewustzijn hebben. De genoemde wettelijke verplichting ten aanzien van de bescherming van de netwerken is vertaald naar het kwaliteitsbeleid (NTA 8120, Nederlands Technische Afspraak). De bescherming tegen overstromingsrisico’s is integraal onderdeel van dit kwaliteitsbeleid. Het is aan de netbeheerders zelf om de afweging te maken tussen het risico van onderbreking van de gaslevering en de te treffen maatregelen. Over specifieke kwesties wordt regelmatig overleg gevoerd tussen het verantwoordelijke ministerie van EZ en de betreffende netbeheerders, bijvoorbeeld in de Contactgroep Veiligheid en Security van brancheorganisatie Netbeheer Nederland. 

In het kader van Herijking Vitaal is geconstateerd is dat het ministerie van EZ samen met de gassector het wenselijke beschermingsniveau en de ambitie voor de middellange termijn duidelijker moeten vastleggen. Daarnaast is de wens uitgesproken om de leveringszekerheid voor de gassector als geheel te agenderen.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De plannen voor het komend jaar zijn in het vorige onderdeel vermeld en betreffen onder meer de vaststelling van de leveringszekerheid voor de gassector als geheel. Een bijzonder element betreft nog de onderlinge afhankelijkheid van de elektriciteit- en gasvoorziening. Veel elektriciteitscentrales in Nederland worden met aardgas gestookt; anderzijds is het op druk houden van de aardgasleidingen afhankelijk van de beschikbaarheid van elektriciteit voor compressoren en andere elementen. In het geval van een grootschalige stroomuitval (een ‘blackout’) in Noordwest-Europa moet de elektriciteitsvoorziening vanuit het niets weer op gang worden gebracht (‘black start’). De beschikbaarheid van aardgas is dan cruciaal. Over de daarvoor nodige voorzieningen wordt nader overleg gevoerd. De resultaten van dit overleg over de onderlinge afhankelijkheid en de vaststelling van de leveringszekerheid voor de gassector als geheel zullen in de volgende voortgangsrapportage worden opgenomen. 

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2050 zijn alle maatregelen getroffen.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In de genoemde rapportage is vastgesteld dat de verantwoordelijkheidsverdeling (tussen het ministerie van EZ, netbeheerders en toezichthouder) duidelijk is en dat het juridische kader (vastlegging van de beschermingstaak in de Gaswet) op orde is. De bescherming van de vitale infrastructuur is bovendien nog een verplichting in het kader van de Europese richtlijn EPCIP (European Programma for Critical Infrastructure Protection) uit 2008, die in 2010 is geïmplementeerd.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De genoemde wettelijke beschermingstaak uit de Gaswet zal worden overgenomen in de nieuwe Energiewet (project-STROOM).

1c Energie: Olie

Verantwoordelijk ministerie: Economische Zaken (EZ) 

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Voor 2015 bepaalt het ministerie van EZ in overleg met de sector, Inspectie Leefomgeving en Transport en ketenafhankelijke sectoren welke onderdelen van de olieketen vitaal en kwetsbaar zijn bij een overstroming. Het gaat daarbij zowel om de noodzakelijk geachte levering van olie als om een mogelijk gevaar voor mens en milieu. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Het belang van een ongestoorde olievoorziening is in de afgelopen periode (opnieuw) beoordeeld, zoals in het kader van het traject Herijking Vitaal, dat wordt gecoördineerd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). Het gaat daarbij om de aanvoer, opslag, omzetting en afvoer van de olieproducten naar de binnenlandse en internationale markten. Op basis van de bestaande rapporten en beschikbare kennis is, onder begeleiding van het ministerie van EZ en van de NCTV, vastgesteld dat de sector olie als ‘vitaal’ moet worden beoordeeld, en om de sector olie op basis van de gestelde criteria in categorie A Vitaal te plaatsen. De rapportage over dit proces, met een motivatie voor de gedane uitspraak, is in maart 2015 aan de Kamer gezonden.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Voor de komende periode zal, op basis van de uitgevoerde vitaliteitsbeoordeling, verder worden gesproken met betrokkenen over de bescherming van de oliesector tegen mogelijke invloeden van buitenaf, met inbegrip van de weerbaarheid tegen overstromingsrisico’s en andere klimaateffecten.Daarnaast zal worden gesproken met (vertegenwoordigers van) de veiligheidsregio’s over de vraag hoe enerzijds regionale voorzieningen in geval van nood kunnen worden beschermd en hoe anderzijds, wanneer de olievoorziening uitvalt, moet worden opgetreden. In deze gesprekken zullen de aanvaardbaarheid van risico’s en de acceptabele hersteltijd in geval van calamiteiten aan de orde worden gesteld. De behoefte is gesignaleerd naar een structureel overlegplatform binnen de oliesector. Bekeken zal worden op welke wijze daaraan invulling kan worden gegeven.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat uiterlijk in 2050 de olievoorziening voldoende bedrijfszeker is om bij een overstroming vitale en kwetsbare functies in stand te houden en dat weglekkende olie geen ernstige schade veroorzaakt aan mens en milieu.

Het ministerie van EZ draagt er in 2016 zorg voor dat een plan van aanpak met tijdpad wordt opgesteld en dat in 2020 eventueel noodzakelijk geacht beleid en toezicht tot stand zijn gekomen. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De bedrijven in de oliesector hebben in het algemeen een hoog risicobewustzijn. Er bestaat momenteel geen wettelijke verplichting ten aanzien van de bescherming van de oliebedrijven tegen overstromingsrisico’s. Het is aan de bedrijven in de sector olie zelf om de afweging te maken tussen het risico van onderbreking van de bedrijfsactiviteiten en de te treffen maatregelen. Over specifieke kwesties wordt regelmatig overleg gevoerd tussen het verantwoordelijke ministerie van EZ en de betreffende bedrijven. Afgelopen periode is er bijvoorbeeld in het kader van het securitybeleid een oefening geweest van de NCTV voor de sector olie en chemie met de betrokken bedrijven en organisaties. Voor deze verslagperiode waren voor het specifieke onderdeel ruimtelijke adaptatie geen activiteiten voorzien. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Voor de komende periode zal in het overleg met de sector over het veilig stellen van de olievoorzieningszekerheid (het oliecrisisbeleid) en het beoogde maatregelenpakket in dat kader ook expliciet gesproken worden over de maatregelen die getroffen dienen te kunnen worden in geval van een overstroming. Een bijzonder element in dat kader zijn de onderlinge afhankelijkheden van de vitale sectoren en de noodzakelijke maatregelen en afspraken ten aanzien van de prioritaire verbruikers. In goed overleg met alle betrokkenen zal bepaald moeten worden wat ieders taken en verantwoordelijkheden zijn.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ draagt er zorg voor dat zodanige maatregelen tot stand komen dat uiterlijk in 2050 sprake is van een waterrobuuste inrichting van de als vitaal en kwetsbaar aangemerkte functies.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Het ministerie van Economische Zaken zal in overleg met de bedrijven in de sector olie vaststellen welke noodzakelijke beschermingstaken in aanvulling op de bestaande wet- en regelgeving eventueel alsnog wettelijk dienen te worden vastgelegd.


Buitendijkse waterveiligheid in het Botlekgebied van Rotterdam

Vanuit de Rotterdamse Adaptatie Strategie en vanuit het Deltaprogramma Rijnmond-Drechtsteden is de noodzaak erkend een adaptatiestrategie te ontwikkelen voor buitendijkse gebieden, zoals het Botlekgebied. De invloed van de zeespiegelstijging in dit haven- en industriegebied is onzeker. Bedrijven en bewoners zijn vaak niet op de hoogte van het feit dat ze in dit buitendijks gebied zelf moeten zorgen voor hun eigen (water)veiligheid. Bij het ontwikkelen van de adaptatiestrategie voor de Botlek zal rekening worden gehouden met verschillende klimaatscenario’s. De strategie moet bestaan uit adaptatiemaatregelen inclusief een zo concreet mogelijk tijdspad. De strategie kan als voorbeeld dienen voor andere havengebieden. Aanvullend zal de pilot bijdragen het bewustzijn van de eigen verantwoordelijkheid bij bedrijven voor de waterveiligheid van hun terreinen en assets. Ook zal er kennis worden ontwikkeld rondom de gevoeligheden voor het opstellen van ontwerpregels voor (petro)chemische industrie en vitale en kwetsbare infrastructuur.


2a Telecom/ICT: Basisvoorziening voor communicatie ten behoeve van respons

Verantwoordelijk ministerie: Veiligheid en Justitie (VenJ)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Het aanmerken van de vitale delen van de communicatie(middelen) tussen en binnen overheden en hulpdiensten vindt uiterlijk in 2015 plaats in het interdepartementaal traject Herijking Vitaal onder coördinatie van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ). 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In het kader van Herijking Vitaal zijn de volgende processen met betrekking tot de basisvoorzieningen voor communicatie ten behoeve van de respons beoordeeld:

  • communicatie tussen overheden
  • communicatie tussen overheid en burgers
  • communicatie tussen hulpdiensten
  • communicatie tussen burgers en hulpdiensten

De uitkomst van deze vitaliteitsbeoordeling is dat de communicatie tussen hulpdiensten en de communicatie tussen burgers en hulpdiensten als vitaal wordt aangemerkt (categorie B Vitaal). Dit heeft betrekking op het functioneren van 112 (communicatie tussen burgers en hulpdiensten) en C2000 (communicatie tussen hulpdiensten onderling). Reden is dat uitval van deze systemen zorgt voor zo veel onrust en doden/gewonden dat de grenswaarden van ‘vitaal’ worden gehaald. De uitval van de andere communicatiemiddelen (WAS, VKC, LCMS, NL Alert etc.) an sich leidt niet tot sociale onrust en/of doden en/of grootschalige economische schade. 

De aanmerking tot vitale infrastructuur binnen Herijking Vitaal leidt tot de conclusie dat de communicatiemiddelen 112 en C2000 ook in het kader van het Deltaprogramma als vitale en kwetsbare functies worden aangemerkt. Van de overige communicatiemiddelen wordt nu, tegen de achtergrond van de bevindingen uit programma Herrijking Vitaal bezien welke het predicaat ‘kwetsbaar’ krijgen.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Binnen Herijking Vitaal worden de komende periode voor de communicatiemiddelen 112 en C2000 ‘roadmaps’ opgesteld. Doel van de roadmaps is om in kaart te brengen of en welke maatregelen nodig zijn om deze communicatiemiddelen weerbaar te maken tegen ‘all hazard’-dreigingen. De roadmaps dienen als onderlegger voor met de sector te maken afspraken over het te bereiken niveau van weerbaarheid. Bij het opstellen van de roadmaps wordt beoordeeld of de roadmaps ook bruikbaar zijn binnen de aanpak van vitale en kwetsbare functies en of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen nog nodig zijn.

De overige middelen voor crisiscommunicatie (WAS, VKC, LCMS, NL Alert) zijn binnen Herijking Vitaal ‘niet-vitaal’ verklaard. In overleg met de sector zal worden beoordeeld of deze overige crisiscommunicatiemiddelen wel relevant zijn in het kader van de aanpak van vitale en kwetsbare functies in het Deltaprogramma. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor crisisbeheersing en rampenbestrijding bevordert het ministerie van VenJ het in werking houden van de communicatie tussen en binnen overheden en hulpdiensten bij een overstroming, voor zover deze communicatie en de daartoe benodigde communicatiemiddelen als vitaal zijn aangemerkt.

Het ministerie van VenJ draagt er zorg voor dat een plan van aanpak met tijdpad wordt opgesteld (2016) en dat in 2020 eventueel noodzakelijk geacht beleid en toezicht tot stand zijn gekomen. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van VenJ draagt er zorg voor dat eventueel noodzakelijk geacht beleid en toezicht tot stand zijn gekomen waardoor zodanige maatregelen tot stand komen dat uiterlijk in 2025 sprake is van een waterrobuuste inrichting van de als vitaal aangemerkte communicatie(middelen).

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

2b Telecom/ICT: Publiek netwerk

Verantwoordelijk ministerie: Economische Zaken (EZ)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Het aanmerken van de vitale delen van de telecomsector vindt uiterlijk in 2015 plaats in het interdepartementaal traject Herijking Vitaal onder coördinatie van het ministerie van Veiligheid en Justitie. In het traject Herijking Vitaal wordt eveneens bezien of er schakels in de internetcommunicatie aanwezig zijn (bijv. datacentra of internetknooppunten) die als vitaal zouden moeten worden bestempeld. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In het kader van Herijking Vitaal is onderzocht welke delen van de sector openbare telecommunicatie/ICT tot de vitale infrastructuur gerekend moeten worden. Vanuit onder meer de Nationale Risico Beoordeling en diverse (IenM-)projecten over overstromingsrisico’s is bekend dat het openbaar telecomnetwerk uitvalt als de voorzieningen onder water komen te staan bij een overstroming. De gevoeligheid voor andere klimaatrisico’s zoals piekbuien, droogte, storm en warmte is niet in beeld gebracht. 

De werking van het openbaar netwerk van telecom/ICT is afhankelijk van de elektriciteitsvoorziening. Hoe langer de uitval van elektriciteit duurt, des te omvangrijker is de uitval van diensten en netwerken. Daarmee nemen de verstoringen van processen bij gebruikers en klanten toe. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Onderzocht wordt of meer deelsectoren van telecom/ICT in aanmerking komen om onder een vorm van een zorgplicht te vallen.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid voor telecom bevordert het ministerie van Economische Zaken (EZ) het in werking houden en snel herstel van het openbare elektronische communicatienetwerk voor telecomdiensten bij een overstroming, voor zover deze netwerken als vitaal zijn aangemerkt.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De EU Richtlijn en de Telecomwet bevatten voor aanbieders van openbare diensten en netwerken een zorgplicht (continuïteit van diensten en netwerken) en meldplicht (verstoringen). Na analyse van de bestaande zorgplicht is vastgesteld dat deze zorgplicht in de Telecomwet een voldoende wettelijke basis biedt om de inrichting van vitale netwerken zo waterrobuust te maken als noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. De zorgplicht geldt voor openbare telecomaanbieders. Op basis van deze wet moet de sector maatregelen treffen om de continuïteit zo veel mogelijk te waarborgen en risico op verstoringen te minimaliseren.

Via de zorgplicht geldt een wettelijk ingesteld overleg. De aanbieders opereren landelijk, dus is er alleen operationeel contact op regionaal niveau. Overleg tussen Veiligheidsregio’s en de telecomsector over het Convenant Vitaal heeft niet geleid tot een afgesloten convenant.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
In aansluiting op de resultaten van Herijking Vitaal wordt bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn om een zo hoog mogelijke continuïteit van de vitale infrastructuur te bereiken.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van EZ treft de beleidsmaatregelen, zodat in 2050 de als vitaal aangemerkte delen van de telecomsector en Internet zo waterrobuust zijn ingericht als noodzakelijk en proportioneel wordt geacht.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De zorgplicht is helder geregeld en biedt geen ruimte voor implementatietermijnen. De zorgplicht is functioneel ingericht. Beleid kan de invulling bijstellen als maatschappelijk ontwikkelingen dat vragen. Hierbij kan gedacht worden aan het aanmerken van bijvoorbeeld een deelsector van de telecom/ICT sector als vitaal, waarna – eventueel na aanpassing van de telecomregelgeving – de zorgplicht voor deze nieuw aangemerkte sector gaat gelden en de uitvoerende aspecten van de zorgplicht zo nodig aangevuld worden specifiek voorde betreffende deelsector. Afspraken over monitoring en evaluatie vallen binnen het toezicht op de zorgplicht.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

3a Waterketen: Drinkwater

Verantwoordelijk ministerie: Infrastructuur en Milieu (IenM)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2015 brengen de vakministeries samen met de sectoren de kwetsbaarheid en de ketenafhankelijkheid (binnen een sector en tussen verschillende sectoren) nauwkeu­rig in beeld. In samenwerking met de drinkwatersector en partners draagt de Minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) zorg voor het (zo lang mogelijk) blijven functioneren van de (nood)drinkwatervoorziening. Dit gebeurt binnen de wettelijke bevoegdheden van de Drinkwaterwet en in het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In het kader van Herijking Vitaal is vastgesteld dat de drinkwatervoorziening vitale infrastructuur is, vallend in categorie A Vitaal. In aansluiting hierop is een projectplan opgesteld met daarin als eerste stap een stresstest naar de huidige overstromingsgevoeligheid (risico’s en impact) van de drinkwatervoorziening. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De uitvoering van een stresstest wordt in de loop van het verslagjaar uitgevoerd. De vraagstelling is: ‘Wat overstroomt er bij welk scenario en wat is de impact ervan?’. Bij de uitvoering wordt Deltares betrokken met kennis over overstromingsrisico’s op basis van geactualiseerde scenario’s. Verder wordt aangesloten bij de verstoringsrisicoanalyses die drinkwaterbedrijven in het kader van leveringsplannen moeten opstellen (Drinkwaterwet). Op basis van de stresstest zal een brede dialoog plaatsvinden over kansrijke opties voor weerbaarheidverhogende maatregelen en crisisbeheersingsmaatregelen, zowel bij de drinkwaterbedrijven als bij de betrokken overheden (waterschappen, ministerie van Defensie, veiligheidsregio’s, gemeenten, ministerie van IenM etc.).


Wettelijk en beleidsmatige kader voor een waterrobuuste inrichting van de drinkwatervoorziening

Het risico op verstoring van de drinkwatervoorziening door overstromingen moet minimaal zijn, zodat de (nood)drinkwatervoorziening kan blijven functioneren conform de drinkwaterregelgeving. De Drinkwaterwet stelt eisen aan de levering, de leveringszekerheid en de voorbereiding op calamiteiten. Een verplicht leveringsplan bevat onder meer een verstoringsrisicoanalyse naar bestaande en te verwachte gevaren en dreigingen, waaronder overstromingen, op basis waarvan de nodige beheersmaatregelen worden getroffen. Sommige maatregelen kunnen door de drinkwatersector worden genomen, andere – uitgaande van de in de Deltabeslissing vastgestelde waterveiligheidsnormen – door de waterbeheerders, zoals het beperken van overstromingsrisico’s voor vitale drinkwaterinfrastructuur, het prioriteren van overloopgebieden, enzovoort. De aanpak hierbij is gefaseerd en vindt – binnen de wettelijke kaders van de Drinkwaterwet – plaats in het kader van het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater (actie 8.4) en het programma vitaal en kwetsbaar van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Resultaten hiervan worden vanwege het nationale vitale belang teruggekoppeld in het programma Herijking Vitaal.


Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Voor 2020 hebben de vakministeries beleid en toe­zicht gereed om de afgesproken ambities te behalen, waar nodig geborgd in afspraken met de sectoren of in regelgeving. De volgende fase voor drinkwater bestaat uit het uitvoeren van verstoringsrisicoanalyses, als onderdeel van de tweede ronde leveringsplannen door de drinkwaterbedrijven (medio 2016). Overstromingsscenario’s maken onderdeel uit van de verstoringsrisicoanalyse. Op basis van de uitkomsten besluiten drinkwaterbedrijven welke verstoringsscenario’s prioriteit moeten krijgen om de continuïteit van de drinkwatervoorziening zo veel mogelijk te borgen en waar mogelijk (aanvullende) maatregelen te treffen. Het leveringsplan, inclusief de verstoringsrisicoanalyse en te nemen maatregelen, wordt ter accordering voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport.


Wat is de afspraak

Deze tekst betreft niet de letterlijke afspraak uit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, maar een aangescherpte versie ervan op basis van nieuwe inzichten.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Het opgestelde projectplan voorziet in een bredere discussie, beoordeling en afweging van maatregelen die genomen kunnen worden (maatschappelijke kosten-batenanalyse, MKBA) en vervolgens in de eventuele verwerking van de uitkomsten in de leveringsplannen (per drinkwaterbedrijf) en planvorming bij de overheid. 

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Voor 2050 en zoveel eerder als mogelijk treffen de sectoren maatregelen, onder meer door bij hun investerings­beslissingen rekening te houden met overstromingsrisico’s. 

De laatste fase voor drinkwater betreft de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen (uiterlijk in 2020).

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De drinkwaterbedrijven die het aangaat zullen als slotstuk van het doorlopen traject de consequenties nader uitwerken ten behoeve van de derde ronde leveringsplannen (vanaf medio 2016).

3b Waterketen: Afvalwater

Verantwoordelijk ministerie: Infrastructuur en Milieu (IenM)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2015 brengen de vakministeries samen met de sectoren de kwetsbaarheid en de ketenafhankelijkheid (binnen een sector en tussen verschillende sectoren) nauwkeu­rig in beeld. Als eerste stap gaan Rijk, (afval)waterketenpartners en sector samen onderzoeken wat de kwetsbaarheid is van de afvalwater­keten voor (zware) overstromingen met als doel maatregelen te inventariseren die herstel van de afvalwaterketen bevorderen.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Samen met de partners in de afvalwaterketen is een onderzoek gestart dat de risico’s en de impact inventariseert van de huidige overstromingsgevoeligheid van de afvalwaterketen. In het onderzoek worden kansrijke maatregelen (opties) in beeld gebracht. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Aan de hand van het uitgevoerde onderzoek worden de nodig geachte vervolgstappen bepaald. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
In 2017 is een aanpak uitgezet om uiterlijk in 2050 beleid, maatrege­len en toezicht op orde te hebben, zodanig dat bij een overstro­ming het afvalwatersysteem spoedig(er) kan worden hersteld. In 2020 zijn beleid en toezicht op deze doelstelling ingericht; voor zover de aanpak wettelijke maatregelen vereist zijn deze in 2020 in wet- en regelgeving verankerd.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De primaire insteek voor het waterrobuust maken van de afvalwaterketen is nader vastgesteld. Het is niet de ambitie om het systeem bestand te maken tegen een overstroming (doorfunctioneren), maar wel om het systeem weer vlot op gang te krijgen, zodat een gebied weer snel kan worden gebruikt nadat de overstroming heeft plaatsgevonden (snel herstel).

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) draagt er samen met de (afval)waterketenpartners en sector zorg voor dat uiterlijk in 2050 maatregelen zijn genomen gericht op het streven om uitval van het afvalwatersysteem te voorkomen en op zo spoedig mogelijk herstel van het systeem in geval van een over­stroming. Daarmee wordt ook de mogelijke schade aan milieu en gezondheid beperkt. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

4 Gezondheid

Verantwoordelijk ministerie: Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
In 2015 zal het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en zorginstellingen een inventariserend onderzoek afronden naar de specifieke kwetsbaarheid van de zorginstellingen voor overstromingen, inclusief de ketenafhankelijkheden in deze sector.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In samenwerking met de IGZ heeft het ministerie van VWS een inventariserend onderzoek in gang gezet naar de specifieke kwetsbaarheid van ziekenhuizen voor overstromingen. Het onderzoek spitst zich toe op de waterrobuustheid van Nederlandse ziekenhuizen, aangezien het van belang is dat deze tijdens een overstroming doorfunctioneren. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De resultaten van het in gang gezette onderzoek worden nader bezien en beoordeeld. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid voor de gezondheidszorg bevordert het ministerie van VWS het in werking houden en snel herstel van de zorginstellingen bij een overstroming, voor zover deze zorginstellingen als vitaal en kwetsbaar zijn aangemerkt.

Op basis van onderzoek bepaalt het ministerie met IGZ en zorginstellingen zijn ambitie en aanpak, inclusief een mogelijke aanpassing van beleid en toezicht. Onderdeel hiervan is of en op welke wijze bij nieuwbouw, herstructurering en renovatie van zorginstellingen structureel rekening kan worden gehouden met een waterrobuuste inrichting.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op basis van de resultaten van het in gang gezette onderzoek bepaalt het ministerie van VWS samen met de IGZ en de zorginstellingen zijn ambitie en aanpak, inclusief een mogelijke aanpassing van beleid en toezicht. 

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
In 2020 is de spoedeisende zorg zo waterrobuust ingericht als noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. In 2050 is de overige zorg zo waterrobuust is ingericht als noodzakelijk en proportioneel wordt geacht.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

5 Keren en beheren oppervlaktewater

Verantwoordelijk ministerie: Infrastructuur en Milieu (IenM)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) zal het initiatief nemen om via joint fact finding met de waterschappen en Rijkswaterstaat uiterlijk in 2015 in beeld te brengen hoe in de huidige situatie de (hoofd)gemalen in beheer van Rijkswaterstaat en de waterschappen zijn voorbereid op een overstroming, op welke wijze en in welk tempo overstroomde gebieden droog kunnen worden gelegd en welke opties in de toekomst denkbaar zijn om (hoofd)gemalen te beschermen bij een overstroming en om overstroomde gebieden droog te leggen. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Door een overstroming kan, naast schade aan keringen, schade ontstaan aan boezemwateren, watergangen en polder- en boezemgemalen. Doordat gemalen afhankelijk zijn van elektriciteit en/of diesel, kunnen de gemalen bij een overstroming uitvallen. De mate waarin deze gevolgen bij een overstroming ook daadwerkelijk zullen optreden, is echter onbekend. Uit een studie van HKV (2007) komt naar voren dat de tijd die nodig is om gebieden na een overstroming weer watervrij te maken uiteenloopt van dagen tot een half jaar. De benodigde tijd is sterk afhankelijk van de ligging en geografie van het gebied. 

In aansluiting op deze algemene constatering heeft het ministerie van IenM samen met de waterschappen en met Rijkswaterstaat onderzoek in gang gezet om een meer locatiespecifiek inzicht te verkrijgen in de waterrobuustheid van de gemalen in de huidige situatie. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De volgende stappen die in de komende periode zullen worden gezet zijn:

  1. Welke mogelijkheden zijn er om boezemgemalen (beter) tegen een overstroming te beschermen?
  2. Hoe lang duurt het voor gebieden na een overstroming zijn drooggelegd?
  3. Zijn er aanvullende maatregelen nodig om gebieden na een overstroming droog te leggen? Zo, ja welke?

De resultaten van deze onderzoeken worden in de volgende voortgangsrapportage gepresenteerd. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Aansluitend op het uitgevoerde onderzoek zullen het ministerie van IenM en de waterschappen uiterlijk in 2016 besluiten of en welke aanvullende stappen en maatregelen zij nodig achten om gebieden na een overstroming weer droog te leggen. Indien nodig wordt het beleid in 2020 aangepast. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
De noodzakelijk geachte maatregelen worden uiterlijk 2050 getroffen. Vooruitlopend op het totaalbeeld wordt aan de eigenaren en beheerders gevraagd bij grote (vervangings)investeringen nu al rekening te houden met het doorfunctioneren van boezemgemalen en spuimiddelen bij een overstroming.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

6 Transport: Hoofdwegennet

Verantwoordelijk ministerie: Infrastructuur en Milieu (IenM)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2015 bepaalt het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) op basis van onderzoek welke delen van het hoofdwegennet vitaal en kwetsbaar zijn in geval van een overstroming met onderscheid naar preventieve evacuatie, wegtransport tijdens de overstroming en snel herstel na de overstroming. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In 2014 zijn, met name in het kader van de uitwerking van de Module Evacuatie Grootschalige Overstromingen (MEGO), door Rijkswaterstaat onderzoeken gedaan, gericht op de beschikbaarheid en kwetsbaarheid van het hoofdwegennet tijdens en na overstromingen (risico en duur). Naast aandacht voor overstromingen vanuit de Rijkswateren door het bezwijken van primaire waterkeringen is ook gekeken naar de effecten van overstroming vanuit regionale wateren.Tevens zijn analyses verricht naar de (mogelijke) functie van het hoofdwegennet bij evacuatie en redding en in de na-fase. Verder is een start gemaakt met het in beeld brengen van mogelijke maatregelen aan het hoofdwegennet om de beschikbaarheid bij evacuatie (langer) en in de herstelfase te vergroten.

Uit de onderzoeken blijkt op hoofdlijnen dat het hoofdwegennet niet is ontworpen op het weerstaan van of blijven functioneren na een overstroming. Daardoor is er sprake van risico’s voor zowel het functioneren van het hoofdwegennet als voor de mogelijkheid om het hoofdwegennet in te zetten voor evacuatie en herstel. Op een beperkt aantal plaatsen zijn er mogelijkheden om de beschikbaarheid in de acute fase te vergroten. Overigens kan het hoofdwegennet in deze niet los worden gezien van het onderliggende wegennet.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Aan de hand van de resultaten van de onderzoeken worden de nodig geachte vervolgstappen bepaald.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Nut en noodzaak van de beschikbaarheid van het wegennet in de responsfase van een overstroming worden bepaald in overleg met Rijkswaterstaat (Evacuatiemodule) en de Veiligheidsregio’s (zoals de relatie met onderliggende wegennet). Op basis van deze analyse, een beoordeling van de economische schade bij uitval van wegen en een maatschappelijke kostenbatenanalyse van maatregelen bepaalt het ministerie van IenM zijn ambitie en aanpak. Indien nodig zijn beleid en toezicht in 2020 aangepast.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
In 2015 is een start gemaakt met de analyse van nut en noodzaak van de gewenste beschikbaarheid van het wegennet in de responsfase van een overstroming. Hierbij wordt nadrukkelijk gebruikgemaakt van de kennis en know how en het opgestarte proces dat in het kader van MEGO in 2014 en 2015 tot stand is gekomen. MEGO heeft een concept-‘stappenstrategie’ ontwikkeld die start met tijdig informeren en beslissen, beïnvloeden van gedrag, het bekend zijn met evacuatieroutes en specifiek de inzet van verkeersmanagementmaatregelen. Daarna volgen maatregelen om de robuustheid van het hoofdwegennet te versterken door noodmaatregelen dan wel structurele maatregelen. Maatregelen voor de infrastructuur die de effectiviteit van evacuatie vergroten kunnen worden geplaatst in het perspectief van maatregelen gericht op de andere stappen in de strategie.

Nagegaan wordt of een afwegingskader bij kan dragen aan de prioritering van maatregelen (waarbij regionale verschillen en maatwerkoplossingen mogelijk kunnen zijn). Vervolgens zal op basis van deze analyse een beoordeling van de economische schade bij uitval van wegen en een maatschappelijke kosten-batenanalyse van maatregelen worden opgesteld (2016). Op basis hiervan wordt de verdere aanpak bepaald.

Hiernaast is in de verslagperiode gewerkt aan een concept Kader Klimaat dat bij de besluitvorming van wegenprojecten in een vroeg stadium kan worden toegepast.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De toepassingsmogelijkheden van het Kader Klimaat worden komende periode getest.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2050 zijn de maatregelen getroffen die nodig worden geacht voor een waterrobuuste inrichting van de als vitaal en kwetsbaar aangemerkte delen van het hoofdwegennet.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

7a Chemisch en Nucleair: Chemie

Verantwoordelijk ministerie: Infrastructuur en Milieu (IenM)

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) voert in samenwerking met de sector van chemische bedrijven een analyse uit naar de aard en de omvang van de risico’s in de huidige situatie. In aansluiting op de daarvoor geldende regelgeving voor de BRZO-VR-bedrijven (Besluit Risico’s Zware Ongevallen) is deze analyse voor alle chemische bedrijven uiterlijk in 2017 gereed. De analyse naar de aard en omvang van de risico’s van de chemische bedrijven bij een overstroming moet leiden tot een gedeeld beeld over de kwetsbaarheid.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Het ministerie van IenM vraagt in het kader van de implementatie van de Seveso III-richtlijn expliciet aandacht voor de veiligheid van chemische bedrijven in geval van een overstroming. Indien nodig zal in samenwerking tussen de overheid en de chemische sector een handreiking worden opgesteld om dergelijke risico’s goed in beeld brengen. Op dit moment heeft het rijk nog geen overkoepelend inzicht in de risico’s die overstromingen met zich meebrengen voor chemische bedrijven.


Handreiking overstromingsrisco’s voor chemische bedrijven (Seveso-bedrijven)

Er zijn ongeveer 400 Seveso-bedrijven en ook veel bevoegde gezagen. Indien nodig wordt de bestaande handreiking inzake het veiligheidsrapport (PGS-6) aangepast om te verduidelijken hoe aandacht kan worden besteed aan het analyseren en beheersen van de gevolgen van een overstroming bij chemische bedrijven. De PGS-6 is thans in revisie bij de NEN. Een handreiking bevordert een eenduidige invulling van de verplichting in de Seveso III-richtlijn om aandacht te besteden aan het risico van een overstroming. De handreiking komt tot stand in overleg met vertegenwoordigers van de Seveso-bedrijven zelf, omdat daar de specifieke kennis zit over de mogelijkheden om de risico’s bij die bedrijven te beperken.


c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
De zelfde opzet die is gehanteerd voor de chemische bedrijven zal – met enkele aanpassingen – worden gevolgd voor buisleidingen. Buisleidingen vallen niet onder de Seveso III-richtlijn; het gaat deels om andere bedrijven. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen is wel dezelfde risicosystematiek/analyse verplicht gesteld als voor BRZO-bedrijven. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
In aansluiting op de daarvoor geldende regelgeving voor de BRZO-VR-bedrijven en de uitgevoerde analyse voor alle chemische bedrijven is in 2018 een passende aanpak vastgesteld. Op basis van het met de chemische bedrijven gedeelde beeld over de kwetsbaarheid wordt het na te streven beschermingsniveau vastgesteld, inclusief een overzicht van de aard en de omvang van de maatregelen die nodig zijn om het beschermingsniveau uiterlijk in 2050 te bereiken. Tevens zal de vraag worden uitgediept welke verantwoordelijkheid overheid en de sector ieder hebben voor de beheersing van het restrisico van een overstroming (verantwoordelijkheid) en welke maatregelen redelijkerwijs van een bedrijf kunnen worden gevergd ter voorbereiding op een overstroming (maatvoering). Indien nodig worden beleid, regelgeving en toezicht in 2020 aangepast. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.


Kennisdelen tussen overheid en bedrijfsleven

Het ministerie van IenM stimuleert dat reeds beschikbare kennis bij overheid en bedrijven over de kansen en effecten van een overstroming worden gedeeld om te komen tot breed gedragen en vergelijkbare analyses van dit risico. Informatie over de kans op een overstroming en overstromingsscenario’s is op verzoek verkrijgbaar bij het waterschap of bij Rijkswaterstaat.


c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de bescherming van mens en milieu bevordert het ministerie van IenM dat chemische bedrijven (inclusief opslag, transport per buisleiding en afvalbedrijven) alle maatregelen treffen die in redelijkheid van hen kunnen worden gevergd om bij een overstroming ernstige effecten voor het milieu en/of de gezondheid te voorkomen. Uiterlijk in 2050 zijn alle redelijke maatregelen getroffen. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

7b Chemisch en Nucleair: Nucleair


Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS), ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM)

De ANVS wordt een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De formele procedure hiervoor vereist onder meer een wetswijziging en zal naar verwachting afgerond zijn in januari 2016. Tot die tijd is de ANVS een dienst (directie) binnen het ministerie van IenM, die de taken en bevoegdheden van de toekomstige ZBO gaat uitvoeren. 

Weten (inzicht in de risico’s)

a) Wat is de afspraak
Geen specifieke afspraak; er is voldoende inzicht in de risico’s.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Geen specifieke activiteiten; er is continue aandacht voor de risico’s (waaronder overstromingen). 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Geen specifieke plannen ten opzichte van de reguliere aandacht voor risico’s. 

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
Vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming bevordert de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) dat de nucleaire installaties in Nederland nu en in de toekomst aan alle gestelde veiligheidsvereisten voldoen. 

De ANVS is opgericht per 1 januari 2015. De ANVS wordt een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De formele procedure hiervoor vereist onder meer een wetswijziging en zal naar verwachting afgerond zijn in januari 2016. Tot die tijd is de ANVS een dienst (directie) binnen het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), die de taken en bevoegdheden van de toekomstige ZBO gaat uitvoeren. Binnen de ANVS zijn de voormalige beleidsdirectie Nucleaire Installaties en Veiligheid (ministerie van Economische Zaken), het Team Stralingsbescherming van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Kernfysische Dienst samengevoegd. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Binnen de ANVS worden de taken op het gebied van beleidsvorming, vergunningverlening en handhaving gebundeld. De ANVS houdt via internationale toetsing, via tien jaarlijkse evaluaties door de vergunninghouders en via het systeem van ‘continuous improvement’ de ontwikkelingen op het gebied van overstromingrisico en bescherming daartegen in beeld.  

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Nieuwe organisatorische verankering van het bevoegde gezag (ANVS) krijgt de komende periode gestalte. 

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Op basis van regelgeving, vergunningvoorschriften, internationale toetsing, tienjaarlijkse evaluatie en een systeem van ‘continuous improvement’ treffen de operators van de nucleaire installaties maatregelen om het veiligheidsniveau op een telkens hoger niveau te brengen. 

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De ANVS houdt toezicht op de wijze waarop nucleaire installaties zichzelf beschermen tegen overstromingen. 

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Geen specifieke nadere plannen; de ANVS voert regulier toezicht uit.

7c Chemisch en Nucleair: Infectieuze stoffen / Genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)

Verantwoordelijk ministerie: Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) voor infectieuze stoffen; Infrastructuur en Milieu (IenM) voor genetisch gemodificeerde stoffen

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
De risicobeoordeling is voorgelegd en besproken met het RIVM.   

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Er is nog nader onderzoek nodig om de risicobeoordeling af te ronden:

  • risico’s van overstroming van faciliteiten voor grootschalige productie;
  • risico dat proefdieren vrijkomen bij een overstroming.

Willen (inzicht en keuzen van strategieën)

a) Wat is de afspraak
De ministeries bepalen in 2015 op basis van de risicobeoordeling of aanvullende beveiligingsmaatregelen nodig zijn voor laboratoria die werken met hoogpathogene infectieuze stoffen, waaronder ggo’s (niveau BSL 3 of 4). Als onderdeel van een ander lopend project (versterking van de bioveiligheid van Nederland), en ongeacht het resultaat van de risicobeoordeling, willen de ministeries bevorderen dat laboratoria aandacht hebben voor het risico van overstromingen.


het risico van overstromingen.

Deze tekst betreft niet de letterlijke afspraak uit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, maar een aangescherpte versie ervan op basis van nieuwe inzichten.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Bepalen of aanvullende maatregelen nodig zijn voor bescherming van laboratoria die werken met hoogpathogene infectieuze stoffen, waaronder ggo’s, tegen het risico van overstromingen.

Werken (borging, implementatie en uitvoering)

a) Wat is de afspraak
Uiterlijk in 2050 zijn alle noodzakelijk geachte maatregelen getroffen.

b) Wat is gedaan in de verslagperiode
Voor deze verslagperiode waren voor dit onderdeel geen activiteiten voorzien.

c) Welke plannen zijn er voor de komende periode
Op dit moment zijn voor dit onderdeel nog geen plannen voorzien.

Colofon

Deze rapportage is in opdracht van de interdepartementale werkgroep vitale en kwetsbare functies opgesteld door Twynstra Gudde / Naeff Consult. De uitvoering heeft plaatsgevonden door Jessica Keetelaar (Twynstra Gudde) en Gerbrand Naeff (Naeff Consult).

Het rapport is samengesteld in de periode tot begin maart 2015 en is vastgesteld in het interdepartementale directeurenoverleg voor vitale en kwetsbare functies van 11 maart 2015. Daarna is het rapport nog op onderdelen geactualiseerd en aangepast.

Samenstelling interdepartementaal directeurenoverleg en werkgroep vitale en kwetsbare functies
  1. Instructie gebruik Deltaprogramma 2016
  2. Deltaprogramma in kaart
  3. Inleidende samenvatting
    1. En nu begint het pas echt
  4. Uitwerking en implementatie deltabeslissingen en voorkeursstrategieën
    1. Verankering deltabeslissingen en voorkeursstrategieën
    2. Implementatie van de deltabeslissingen
      1. Deltabeslissing Waterveiligheid
      2. Deltabeslissing Zoetwater
      3. Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie
      4. Deltabeslissing IJsselmeergebied
      5. Deltabeslissing Rijn-Maasdelta
      6. Beslissing Zand
    3. Voorkeursstrategieën
      1. Voorkeursstrategie IJsselmeergebied
      2. Voorkeursstrategie Rivieren
      3. Voorkeursstrategie Rijnmond-Drechtsteden
      4. Voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta
      5. Voorkeursstrategie Kust
      6. Voorkeursstrategie Waddengebied
      7. Hoge Zandgronden
  5. Deltaplan Waterveiligheid
    1. Inleiding
    2. Voortgang onderzoeken Deltaprogramma 2015
    3. Hoogwaterbeschermingsprogramma
    4. Verkenningen
    5. Planuitwerkingen
    6. Realisatie
    7. Beheer, onderhoud en vervanging
  1. Deltaplan Zoetwater
    1. Programmering en voortgang onderzoeken en maatregelen (2016-2021)
    2. Vooruitblik op toekomstige programmering (>2021)
    3. Voortgang andere relevante lopende projecten
  2. Het Deltafonds: financieel fundament onder het Deltaprogramma
    1. Inleiding
    2. De stand van het Deltafonds
    3. Middelen van andere partners
    4. De financiële opgaven van het Deltaprogramma
  3. Organisatie en aanpak van het Deltaprogramma
    1. Werkwijze Deltaprogramma en vervolgorganisatie
    2. Kennis, markt en innovatie
    3. Internationale samenwerking
    4. De systematiek 'meten, weten, handelen'
  4. Bijlagen
    1. Bijlage 1 - Werkwijze voor de Zoetwaterprogrammering
    2. Bijlage 2 - Geactualiseerde kennis- en onderzoeksagenda Zoetwater
    3. Bijlage 3 - Voortgang afspraken vitale en kwetsbare functies
      1. Bijlage 3.1 - Aanpak nationale vitale en kwetsbare functies
      2. Bijlage 3.2 - Voortgang in het eerste verslagjaar - samenvatting
      3. Bijlage 3.3 - Voortgang per functie
    4. Achtergronddocumenten en downloads
    5. Colofon